Ds. A. Schot
95 stellingen over de Heilige Doop
95 stellingen over de Heilige Doop
Ds. A. Schot maakt zich zorgen om de manier waarop het gesprek over de Heilige Doop gevoerd wordt. „Het werk van de Heilige Geest wordt vaak over het hoofd gezien.” De predikant klom in de pen – en stelde 95 stellingen op.
„Ik zit vanochtend wel op mijn praatstoel”, merkt de predikant van de gereformeerde gemeente in Nunspeet halverwege het gesprek in zijn studeerkamer op. En inderdaad, aan woorden heeft ds. Schot deze ochtend geen gebrek. Het onderwerp, de doop, raakt hem. Het eigenlijke doel van de doop – „het versterken van het geloof van Gods kinderen” – sneeuwt volgens de predikant onder in het gebruik van „emotionele taal”.
Een uitdrukking als „pleiten op je doop” zal de rector van de Theologische School in Rotterdam dan ook niet snel gebruiken. Hij heeft er moeite mee als de dopeling en zijn geloofsbelijdenis in het gesprek over de doop centraal gesteld worden. „In de doop wordt zichtbaar Wie God in Christus is. Voor wie niet in Christus is – waar het geloof door de Heilige Geest niet is gewerkt – kan het geloof ook niet worden versterkt.”
Deze donderdag verschijnen bij uitgeverij De Banier ds. Schots 95 stellingen over de doop. Met behulp van zoekopdrachten naar de Griekse woorden die met doop en besnijdenis te maken hebben, zette de predikant alle Bijbelteksten over de doop op een rijtje. Op basis daarvan formuleerde hij zijn stellingen. Volgend jaar volgen 95 stellingen over het Heilig Avondmaal.
Door net als Luther het format van 95 stellingen te kiezen, suggereert u dat er nogal iets mis is.
„Haha, Ja, het klinkt als een aanval, hè. Zo is het niet bedoeld. Het is zelfs een heel vriendelijk boekje. Luther probeerde met zijn stellingen een gesprek op gang te krijgen. Die vorm spreekt me aan. In mijn boek wil ik een raamwerk geven van wat de Schrift zegt over de betekenis van de doop.
Op basis van dat raamwerk kan het pastorale gesprek over de doop gevoerd worden. Dit boek gaat dus niet over de vraag wat de waarde van de doop voor de dopeling is, maar wat de Bijbel erover zegt.”
”In Christus gedoopt”, het boek van de hersteld hervormde prof. dr. W. van Vlastuin, dat vorig jaar verscheen, heeft wel een pastorale insteek. Is uw boek daar een reactie op?
„Mijn doel is niet om prof. Van Vlastuin aan te vallen, zijn naam wordt niet genoemd. Al hoop ik natuurlijk dat prof. Van Vlastuin zijn eigen doopvisie naast de conclusies in mijn boek legt, zoals ik dat zelf ook met mijn visie heb gedaan.
Wel merk ik dat het boek van prof. Van Vlastuin vragen oproept. Ik begon vorig jaar november met de 95 stellingen naar aanleiding van gesprekken met mijn gemeenteleden. Ik merkte dat er veel vragen leven rondom de doop, soms ook naar aanleiding van ”In Christus gedoopt”.”
Is uw eigen doopvisie door uw onderzoek veranderd?
„In eerste instantie was ik van plan om de doopvisie van de Gereformeerde Gemeenten met 95 stellingen te onderbouwen. Maar iemand adviseerde me om de Schrift zelf te laten spreken. Die suggestie heb ik overgenomen.
Uiteindelijk is mijn visie door dit onderzoek bevestigd. Ik sta in de lijn van ds. G.H. Kersten, die stelt: In de doop wordt niet de onderwerpelijke belofte, maar de voorwerpelijke belofte verzegeld. Daarmee bedoelt hij dat de beloften niet aan het kind gedaan worden, maar dat de vergeving van zonden in Christus verzegeld wordt. Dat is waar, ongeacht de dopeling. Die visie heb ik in de Schriftplaatsen bevestigd gezien.”
Een gedoopt kind kan volgens u geen aanspraak doen op de beloften?
„Galaten 3:16 is daarover glashelder. Daar staat dat de beloften van het genadeverbond alleen voor de ware gelovigen zijn. De beloften van het genadeverbond zijn aan Christus gedaan en dus moet je in Christus zijn om in die verbondsbeloften te delen. De uitwendige afzondering alleen doet niet delen in de beloften van het genadeverbond.”
Met deze standpunten onderscheidt u zich van diverse oudvaders. Zo stelt Theodorus van der Groe dat „de jonge kinderen van de gelovigen door toestemming van hun ouders in Gods verbond zijn” en daarom recht hebben op „alle zegeningen, beloften, en weldaden van dat verbond”.
„Mag ik het wat cru zeggen? Het maakt mij niet zoveel uit wat Van der Groe of een andere oudvader zegt. Ik wil met mijn studie terug naar de basis, de Schrift. De oudvaders acht ik heel hoog, maar de Schrift gaat voorop.
In de doopdiscussie komt men vaak met allerlei citaten van oudvaders. Dat kan, maar dan moeten ze niet selectief geciteerd worden. Daarbij denk ik dat het een scheve vergelijking is om onze doopvisie naast allerlei oudvaders te leggen. De eeuwen van strijd over de doop in de negentiende eeuw hebben zij niet meegemaakt. Daar moeten wij wel mee rekenen.”
Deze oudvaders baseerden zich op dezelfde Schrift als u.
„Als ze voor hun standpunten uit de Schrift putten, ben ik de eerste die erin meegaat. Maar er zijn bijvoorbeeld oudvaders die zeggen dat alle jonggestorven kinderen zalig zijn. Ik heb dat in de Bijbel nooit kunnen vinden.
Mogelijk heeft het ontstaan van die opvattingen ook te maken met de grote kindersterfte uit die dagen. Bovendien stonden de oudvaders nog dichter bij de Rooms-Katholieke Kerk, waarin veel waarde aan de doophandeling op zich werd toegekend. Maar Luther zette geen punt, hij bracht een omwenteling teweeg. Daarna zijn er nog grote ontwikkelingen geweest. We mogen dankbaar zijn voor wat de oudvaders aan het licht hebben gebracht, maar dat wil niet zeggen dat daarmee het laatste woord gezegd is.”
U schrijft dat een gedoopt kind ingelijfd wordt in de kerk. Ook in het genadeverbond?
„Niet wezenlijk. Kinderen van gelovige ouders behoren op dezelfde manier tot het verbond als het natuurlijke zaad van Abraham. Ze leven onder de bediening van het verbond. Maar wie wezenlijk in het genadeverbond is, is in Christus. Het is een dwaling om te zeggen dat wie gedoopt is, wezenlijk in het genadeverbond is. Ik zou dan liever zeggen dat iemand een uitwendige band met Christus heeft.
Het werk van de Heilige Geest wordt vaak over het hoofd gezien. In de doop wordt de Evangeliebelofte verzegeld dat er in Christus vergeving van zonden is. Die belofte moet door de Heilige Geest toegepast worden. In het doopformulier staat „ons toeëigenende hetgeen wij in Christus Jezus hebben” – dat is het werk van de Heilige Geest. Daarom wordt er in het gebed ook gevraagd of de Heilige Geest dit kind in Jezus Christus wil inlijven.”
Een aanduiding als „tweeërlei kinderen des verbonds” komt in uw boek niet voor.
„Nee, er zijn wel meer uitdrukkingen niet terug te vinden. Dat is het mooie, als je van de Schrift uitgaat, hoef je niet op allerlei uitdrukkingen te reageren. Deze aanduiding komt in de Bijbel niet voor. Ik vond dat een mooie manier van werken, uitgaan van alleen de Schrift, zonder de ballast van discussies. Maar als je deze term op de juiste manier uitlegt, heb ik er geen moeite mee.”
Kunnen ouders troost putten uit de doop van hun kind als hij afscheid neemt van de kerk?
„Dat hangt samen met de vraag wat de doop is. Is het een belofte aan dit kind? Nee, de doop laat zien Wie God in Christus is. Tegen zulke ouders zou ik zeggen dat er in Christus zaligheid is voor de grootste der zondaren. Ook voor hun verloren zoon of dochter. Ook mag gewezen worden op het gebed dat bij de doop voor hun kind is gedaan. Maar de doop geeft geen rechten, alleen voorrechten.”
Welke voorrechten geeft de doop?
„De doop geeft allereerst een grote verantwoordelijkheid en een plicht tot heilige levenswandel. Als het gaat om de voorrechten, denk ik aan Romeinen 3 en 9. Daar noemt Paulus de aanneming tot kinderen, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst Gods en de beloften. Die voorrechten van de Israëlieten zijn ook van toepassing op gedoopte kinderen.
Daarbij is de kanttekening bij de aanneming tot kinderen wel belangrijk. Daar staat dat het hier niet gaat om de aanneming tot kinderen die in Romeinen 8 voorkomt, want die kan ons niemand ontvreemden. De aanneming tot kinderen uit Romeinen 9 gaat om een vorm van afzondering.
Zelf gebruik ik ook graag de voorbeelden uit het gebed in het doopformulier. Ik durf wel tegen dopelingen en hun ouders te zeggen dat ze net als „Noach, zijn acht zielen” in de ark zijn. Al zijn ze daarmee nog niet behouden, want Cham was ook in de ark. Ook de doortocht door de Rode Zee is zo’n voorbeeld. Gedoopten zijn afgezonderd van Egypte, maar ze zijn nog niet in Kanaän.”
Welke waarde heeft de doop voor uzelf?
„Het genadeverbond heeft voor mij steeds meer waarde gekregen. In het begin ervaarde ik dat niet zo. Het begon niet bij het genadeverbond, maar bij de schuld die er lag tussen God en mijn ziel. Er was een breuk die ik niet helen kon – zo kwam er plaats voor Christus in mijn leven.
Later ben ik meer en meer de waarde van het genadeverbond gaan zien. In mijn leven is 2 Samuël 23:5 meermaals voor mij opengegaan. David zegt daar: „Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is.” Ondanks dat hij en zijn huis „niet bij God” zijn. Het is niet zoals het zou moeten zijn. Toch zegt hij dat God hem een eeuwig verbond heeft gesteld.
Dat verbond is het genadeverbond, dat vastligt in Christus. Op zijn sterfbed heeft David alleen het verbond nog om zich aan vast te houden. Daar ligt zo’n vastheid in. Ook al ben en blijf ik een zondaar en getuigt alles tegen mij, toch ligt het vast in de Middelaar van het verbond.”
En als predikant?
„Ook daarin heb ik meer aandacht voor de doop gekregen. Toen ik pas predikant was, preekte ik tijdens middagdiensten waarin de doop bediend werd, gewoon uit de Heidelbergse Catechismus. Maar dan kwam of de doop of de catechismus in het gedrang. Als het nu dopen is, preek ik ’s ochtends uit de catechismus en kies ik ’s middags een dooptekst.
Daarmee laat ik zien dat zulke diensten waarde voor mij hebben. Het geeft gelegenheid om aandacht te schenken aan de diepe betekenis van het sacrament. Vooral voor Gods kinderen. Dat wordt bij de doop vaak vergeten – dan gaat het vooral over het kind en de ouders. Maar de doop is juist bedoeld tot versterking van het geloof. Dat aspect blijft in doopdiensten vaak onderbelicht.”
Verwacht u een reformatie na de verschijning van uw 95 stellingen?
Lachend: „Dat zou natuurlijk mooi zijn.”
Reformatorisch Dagblad, 1 oktober 2026
